Voor velen is Roger Federer de beste tennisser allertijden. De Britse schrijver Geoff Dyer vergeleek de Zwitser in zijn boek De Laatste Dagen Van Roger Federer met Dennis Bergkamp, volgens hem ook een speler die ‘lijkt te bewegen in een andere, plooibaarder tijdsdimensie.’ Hij roemt vooral de Roger die na een knieoperatie in 2016 spectaculair terugkwam: ‘Hij had weer eens aangetoond dat de efficiëntste manier van tennis spelen ook de mooiste was – en vice versa. Esthetica en overwinning konden hand in hand gaan.’
Voor velen is Bruce Springsteen de grootste rockster allertijden. In zijn essay het Hele Verhaal stelt Roel Bentz van den Berg dat ‘net als alle waarlijk grote kunst zijn werk een toetssteen [is] voor de meest prangende vraag die het leven je kan stellen, of liever gezegd: het leven is die vraag.’ Hij beschrijft een concert uit 1978 – ‘het jaar waarin zijn elpee Darkness On The Edge Of Town verscheen en hij met zijn E-Street Band avond aan avond, stad voor stad, Amerika veroverde tijdens marathonconcerten waarbij blinden ziend werden en lammen als Fred Astaire tegen de muren op dansten.’
Enter Carlo Ekas. Dezer dagen staan we stil bij zijn 40-jarig dienstverband en hij rekent zowel Bruce als Roger tot zijn helden. Wat hebben de elegante tennisser, de stoere rocker en de golvende, whisky proevende, reislustige ondernemer met elkaar gemeen? En zijn er ook verschillen?
Om met dat laatste te beginnen: hebben Roger en Bruce gevoel voor humor? Eerlijk gezegd zie ik Roger nog niet bij medewerkers op het bureau springen om ze hun nieuwe schoenen te laten zien. En ik betwijfel of Bruce in staat is jaarlijks weer een tot in de puntjes verzorgde doe-dag voor personeel en aanhang te organiseren.
Een 40-jarig dienstverband is zeldzaam tegenwoordig. Maar Roger tenniste tot op hoge leeftijd door en de zeventiger Bruce trekt nog steeds volle zalen. Carlo heeft naast zijn directietaken ook tijd om lampen te vervangen op het toilet. Geldt hier het adagium van Maarten Luther ‘hier sta ik, ik kan niet anders’, of is er meer aan de hand? Is het een grenzeloze loyaliteit aan fans en mededirectieleden? Uiteraard is het dat, maar het is meer: noem het enthousiasme, desnoods een soort jeugdige onverschrokkenheid die bij alle drie op latere leeftijd behouden is gebleven. En die hopelijk nog lang behouden blijft.
Zoals Bruce zong in Badlands: It Ain’t No Sin To Be Glad You’re Alive. Proost!
Bernd Verleg